Waarom ik bussen haat

Posted on 29 mei 2012

0


Jarenlang was ik zo goed als vergroeid met mijn auto. Als een onontbeerlijk verlengstuk van mijn lichaam, een flink uit de hand gelopen supplementaire handtas, soms zelfs rijdende kleerkast en bij momenten een regelrechte mobiele vuilnisbak vormde mijn auto mijn steun en toeverlaat zodra ik mij naar buiten begaf.

Voor werk of plezier, zonder auto kwam ik helemaal nergens en zelfs een bezoekje aan de bakker drie straten verderop gebeurde op vier wielen. Ook al had ik op de tijd dat het gemiddeld duurt om een legale parkeerplaats te vinden ongeveer acht keer te voet heen en weer naar die bakker kunnen lopen.

En dan heb ik het nog niet over de pakken geld die over de balk werden gesmeten aan een uitgebreid assortiment aan boetes. Snelheidsboetes, parkeerboetes, vergeten en daardoor hoogoplopende boetes, foutief-gebruik-van-bewonerskaart-boetes… Het is een wonder dat er soms nog iets overbleef van mijn maandloon.

Babette versus Johnny

Niet dat ik daar verder ooit van wakker lag of zelfs maar overwoog om het zonder wagen te stellen. Mijn auto hoorde bij mij als een noodzakelijke accessoire en zonder ging ik de deur niet meer uit.

Ieder vehikel dat ik over de jaren versleten heb, had haar of zijn eigen karakter en omdat mijn auto in mijn ogen veel meer was dan zomaar een gebruiksvoorwerp, werden sommige wagens zelfs bedacht met een eigen naam. Niet zonder enige weemoed denk ik soms nog terug aan Babette (Saab 900) waarmee ik statig door de straten reed als ware Babette een slagschip en ik haar trotse kapitein. Samen met mijn daaropvolgende Mini, waarmee ik de meest ultrastrakke bochtjes kon trekken die Babette nooit zou hebben gepikt, behoort zij nog steeds tot mijn favorieten en zal ik haar voor altijd in mijn hart meedragen.

In tegenstelling tot dat kreng van een Johnny (gouden Opel Kadett) die mij op de meest ongepaste momenten in de steek liet en het uiteindelijk zonder enige vooraankondiging begaf, midden op een drukke winkelstraat. Zulk hoogverraad maakt dat je mij van mijn leven niet meer in zo’n ding zal aantreffen. Want veel meer dan een mooi uiterlijk is ook bij een auto een karakter waar je op kunt bouwen op het einde van de rit doorslaggevend.

Zo zal ik mijn eerste autootje (een eerder mottige Toyota Corolla met de minder toepasselijke naam Duffie) altijd blijven koesteren vanwege zijn onvoorwaardelijke trouw en onverwoestbare degelijkheid. Duffie maakte met zijn voorkomen weinig indruk maar het oude bakje was extreem betrouwbaar, overleefde een kettingbotsing (die ik overigens niet veroorzaakt had) én bracht mij levend en wel op de pechstrook na een klapband tijdens 140 km/uur. Dat was nog in de tijd voor al die flitspalen.

Mijn laatste auto (BMW zonder naam) zag er, in vergelijking met Duffie, misschien een stuk imposanter uit, bij de minste sneeuwval had ik er niks meer aan en vreesde ik terecht voor mijn eigen leven en dat van onschuldige voorbijgangers.

Schichtige muis

Ongeveer een half jaar geleden nam mijn leven echter een drastische wending toen ik van de ene op de andere dag zonder auto kwam te staan en als het ware terug alleenstaande werd. Als een onwennige en schichtige muis begaf ik mij de eerste dagen op straat met het onbestemd idee dat ik iets vreselijks belangrijks vergeten was. Een soort fantoompijn die enkele weken duurde totdat ik besefte dat je zonder auto ook overal kunt komen en er zelfs een overvloed aan alternatieven bestaat die een stuk goedkoper zijn en bovendien beter voor het milieu.

Het geluk wilde dat de zomer net begonnen was dus begon ik mijn autoloze leven met het afstoffen van mijn fiets en het oppompen van de fietsbanden. Verrukt ontdekte ik dat mijn stalen ros (die trouwens luistert naar de naam De Geus, dat stond er al op toen ik ‘m kocht) mij binnen de stadsgrenzen niet alleen veel sneller bracht waar ik moest zijn maar dat ik bovendien geen parkeerstress, laat staan parkeerboetes, meer hoefde te ondergaan. Met een air van onoverwinnelijke superioriteit slalomden De Geus en ik tussen de stilstaande auto’s door om vervolgens een willekeurig parkeerplaatsje uit te zoeken en zonder omkijken de plaats van bestemming te betreden. Voor uitstapjes buiten de stad herontdekte ik de trein en in plaats dat ik me op zat te winden in een of andere kutfile, las ik rustig een boek tot de trein vanzelf halt hield waar ik wezen moest. Al snel leken Babette en Johnny onderdeel van een ver verleden terwijl het landschap achter het treinraam razendsnel voorbij vloog.

Maar toen de zomer passeerde en fietsen in de regen nog steeds niet mijn ding bleek (zoals het ook nooit was geweest toen ik nog door weer en wind naar school fietste), ging De Geus tijdelijk op stal en wendde ik mij voor het eerst sinds jaren tot het openbare stadsvervoer.

Trams heb ik altijd al leuk gevonden. Omdat ze me doen denken aan Suske & Wiske (in de tijd dat ik nog nooit een Antwerpse tram gezien had) en omdat ze een bel hebben, dat is altijd gezellig. Zelfs de modernere trams, die nog nauwelijks enige Suske & Wiske-allure vertonen, brengen een mens nog altijd snel en efficiënt van A naar B.

Waarom ik bussen haat

Een heel andere historie zijn de bussen. Al heel mijn leven heb ik bussen gehaat en doe ik er ongeveer alles aan om te vermijden dat ik er eentje moet opstappen.

Bussen stinken over het algemeen naar natte hond of oud zweet, hun chauffeurs zijn door de regel onvriendelijk, soms op het onbeschofte af, en hun rijstijl, waarbij je als een zoutzak van hot naar her wordt geslingerd, geeft blijk van latente persoonlijkheidsstoornissen en een totaal gebrek aan respect voor hun passagiers die er derhalve allemaal chagrijnig bijzitten. Bussen vormen kortom een ernstig gevaar voor je welzijn en zijn daarom mensonterend.

Zo hebben buschauffeurs er altijd een handje van om plankgas te geven wanneer je nog niet de kans hebt gekregen om te gaan zitten waardoor je iedere rit blij mag zijn dat je je gezicht niet verbrijzelt tegen de smerige achterruit. Waar mensen elkaar op de tram nog wel eens durven begroeten of netjes voor elkaar opstaan, heerst op de bus een eerder vijandige microbe en krijg je in het beste geval een zure blik toegeworpen. Alsof jij er persoonlijk de oorzaak van bent dat je geterroriseerde medepassagiers nog eens flink door elkaar worden geschud bij het bruusk afremmen en optrekken. Omdat jij zonodig moest opstappen.

Als er trouwens al sprake is van enig ‘buscontact’ is het meestal met een kerel die geil tussen neus en lippen door fluistert dat hij jou wel eens in een donker steegje wil tegenkomen. Wat er dan precies staat te gebeuren in dat steegje wil ik me zelfs niet eens voorstellen. In zo’n geval doe ik maar gewoon alsof ik de taal niet machtig ben en staar ik strak uit het raam terwijl ik me ondertussen krampachtig vastklamp aan mijn handtas.

En ook al breng je het er doorgaans heelhuids vanaf, op de een of andere manier word ik op een bus toch steevast overvallen door de bepaald grimmige sfeer die eigen aan bussen lijkt te zijn. Alsof er ieder moment iemand door het lint kan gaan en een riotgun tevoorschijn zal trekken om ons allemaal willoos af te slachten. En dat terwijl de buschauffeur hoogstwaarschijnlijk vertikt om zelfs maar op de rem te gaan staan.

Daarom neem ik in het vervolg liever een omweg met drie verschillende trams dan dat ik mij nog aan één rechtstreekse busrit onderwerp.

Desnoods trotseer ik alsnog de spiegelgladde straten op mijn Geus.

(Eerder verschenen op Bonoboz Webmagazine)

Advertenties
Posted in: Columns