Spreekwoordelijke lantaarnpalen (1)

Posted on 8 april 2013

1


Met woorden slaan ze elkaar rond de oren. Aanvankelijk nog ietwat getemperd en behoedzaam. Op verkenning. Maar niet voor lang. Binnen een oogwenk fluiten ze als genadeloze kogels door de lucht. Woorden als projectielen die keer op keer met nauwkeurige precisie doel treffen aan beide kanten van het strijdtoneel. Raken, recht in het hart. Projectielen van vreugde en angst tegelijk. Als lantaarnpalen waar je pardoes tegenop knalt wanneer je teveel op je smartphone loopt te typen tijdens het zwerven door verlaten straten. In gedachten en berichten verzonken doemen ze plots op uit het niets: Boink!

Je zou denken dat één zo’n knal een mens leert om voortaan voor zich te kijken en een beetje beter op te letten. Maar nee, koppiger dan ezels zetten ze door. De ene buil nog niet genezen voor de volgende zich al aandient. Boink! Straten vol lantaarnpalen worden aan grote snelheid genomen. Een reeks builen volgt zichzelf op. Boink! Boink! Boink!

“So far so good”, zeggen ze tegen elkaar. “Het zijn maar woorden. We praten. Praten is ongevaarlijk. Geen enkele reden tot paniek.” Grove leugens zijn dat, ze weten het allebei. De talloze dekmantels die ze afgooien vliegen in het rond, de vloer bezaaid. Maar over de opwinding die ondertussen gewelddadig bezit neemt van hun lijf zwijgen ze in alle talen. Sommige mantels houden ze nog even aan. So far so good.

“Ik zie je graag,” zegt ze op een onbewaakt moment. Ook deze mantel had ze nog een poosje aan willen houden. Het is tenslotte winter. Maar eveneens heeft ze net een slok wijn teveel op. Geschrokken beseft ze dat ze iedere letter meent van wat ze net heeft gezegd. Dat het onvermijdelijke verteld moest, desnoods zonder die fatale slok. Al vraagt ze zich daarna af of ze nu alles heeft verziekt met benevelde baldadigheid die de volgende ochtend wel eens gemeen grauw voor de dag durft te komen. Dat weet ze uit ervaring.
Niets van dat alles.
“Ik jou ook,” ketst hij terug. “En dit is trouwens geen lantaarnpaal die je uitdeelt, dit is een brugpijler.” Op haar beurt knalt ook zij op diezelfde pijler. Dan blijft het voor het eerst even stil aan weerskanten. Beiden wrijven ze over de verse buil, die dusver de grootste is, en koesteren hem vervolgens innig. Als aandenken en bewijs dat dit niet slechts woorden meer zijn, noch spreekwoordelijke lantaarnpalen. Het kan niet anders of die builen zullen binnenkort voor iedereen zichtbaar worden. Het zal geen zin meer hebben ze nog langer te verbergen. De angst slaat hen beiden rond het hart. Wat nu? Wat als blikken van buitenaf de betovering zullen doorbreken, wat ze haast altijd doen. Dat weten ze uit ervaring.

Bij momenten denkt ze dat het even plots weer zal ophouden als het begonnen is. Dat ze zal ontwaken uit een levensechte droom die tijdelijk niet meer van de realiteit te onderscheiden viel. Een droom die de toekomst onherroepelijk zou hertekenen omdat in dromen alles kan/mag/moet. Omdat het een droom is. Maar ze vergist zich. Telkens de gedachte nog maar voorzichtig opkomt, heeft hij alweer een nieuwe lantaarnpaal in petto die ze net niet heeft zien aankomen. Ze geeft hem lik op stuk.

Naar elkaar kijken durven ze niet. “Het is grappig, en ook een beetje gek,” zegt ze zacht, terwijl ze uitgeput en rug aan rug de andere kant op zitten te kijken. Hij weet niet meteen waar ze op doelt. “Graag zien, en toch niet durven kijken.”
Boink.

(Vervolg: Doorprikte ballonnen)

photo_2

Advertenties
Posted in: Columns